Dit is mijn land, hier ben ik geboren kort na de oorlog, bij de zee en het strand ik was een indiaan, indiaan in de duinen zag in wuivende kruinen het bruine gevaar van Duitse soldaten, die niet praten maar blaffen mikken en doden, in een enkel gebaar maar het waren toeristen, verdwaalde toeristen ze vroegen de weg, de weg naar het strand
Ik ben niet meer bang voor het einde der tijden voor de blik van een vreemde die me wil laten lijden ik ben niet meer bang het land is bang ik ben niet langer bang
Ik sta op mijn balkon, een onweer barst los ik kon het verwachten, de katten miauwden de ring van mijn moeder licht op in de bliksem maar bij de brullende donder ligt ze stil in mijn hand als de schim die me volgde, als de lachende zon in haar badpak haar lichaam, waarin mijn leven begon dit is mijn land, hier ben ik geboren kort na de oorlog, bij de zee en het strand
GELUK
Het koplicht schijnt op Drenthe nu een mistig paradijs dat in trage nevelflarden met me meereist de nevels die me volgen tot aan de Afsluitdijk die overdekt met sterren voor me uitkijkt Op hoop van zegen op de radio
Mooi en lelijk, vals en echt verstrengeld en verstrikt de aanblik van het land, en ik mijn hoofd dwaalt naar de straten waar je danst totdat de zon opkomt je doorzingt tot je stem verstomt geluk zich in tranen heeft vermomd
De lichten van Oostende de weg oranje-grijs ik de dommelende passagier die meereist Les misérables op de radio
NACHTTREIN
IJzer krijst op ijzer, slijpt de baan die ik altijd al wilde gaan het rommelt in mijn brein, rommelt als de trein die ik ooit elke avond hoorde in de kelder van mijn brein, of de zolder. Wie weet dat ooit? Het moest een nachttrein zijn, dacht ik of droomde ik de nachttrein naar Berlijn.
Mijn lief ligt tegenover me te slapen doof voor het gerommel van de trein zacht ligt ze tegenover me te slapen in de trein, de nachttrein naar Berlijn
Dan was ik in New York in een of andere Hall of Fame glas brak en splinterde, krakend om me heen gras groeide over hout dat ik net wilde hakken een satansbaby keek naar mij met satansbabyogen met riemen om mijn enkels vluchtte ik terug naar de trein de nachttrein naar Berlijn
Maar mijn droom kromde de baan, van het Oosten naar het Zuiden via Keulen naar Maastricht, pas bij Luik werd het licht het licht dat licht is en schaduw tegelijk, als in Hades’ koninkrijk zijn vinger wees naar onder als de naald van een kompas helder was het teken: bestemming niet Berlijn, maar Rome of Parijs twee gele reuzenwielen hesen ons naar boven en weer terug naar vaste grond naar het geratel van kleine blikken Eiffeltorens dan mengen zich de stemmen, alle stemmen van de wereld nonnenkoor met reggae, kerkklokken met jazz naakt, aan het einde van de reis
Mijn lief ligt tegenover me te slapen doof voor het gerommel van de trein zacht ligt ze tegenover me te slapen naakt als het einde van de reis
VROUW
Je ziet haar op de grote podia je ziet haar in het ranzigste café dansend in de spotlight, zwijgend in het schemerlicht haar beeld neem je voor eeuwig met je mee
Waar ik meer dan van muziek meer dan van mezelf waar ik het meest van hou is de grootse eenzaamheid de eenzame grootsheid van een vrouw
Ze vecht als ze voelt dat ze moet vechten al is de strijd het laatste wat ze wil sluipend door de nacht, op weg naar het keizerlijke bed met groot vertoon van warmte is ze kil, nu kil
BREEK DE BAN
Het eind van de saaiheid is altijd het uur van de waarheid het dal lonkt donker onder de piek als je aarzelt is het altijd God zelf die je aankijkt soms is het vechten, soms is het muziek
Half groggy zie ik het joch dat in bed in zijn boek las hoe prairies en bergen werden geslecht in het westen dat toen nog verder dan ver weg was waar de zon ondergaat, ver weg maar echt dan klinkt een welbekende stem in de ring
Breek de ban, drink en dans en zing
Aan het eind is er niets dan de liefde, de liefde, de liefde
ATLANTA
De zon van Atlanta smolt de sneeuw ik stond in Atlanta in het hol van de leeuw de filmbeelden spraken zwart-witte taal een krakende stilte vulde de zaal ik droomde weg bij een denkbeeldige baar
Liefde drijft ons naar elkaar haat jaagt ons naar de hel waar je tijd vertraagd wordt geteld liefde drijft ons naar elkaar
Het waren duistere machten, die ik daar zag die zachtheid verachten als slap gedrag tijd leek hier te slapen, in haar eigen beloop toch, deze tempel ademde hoop bestand tegen ieder gevaar
VIER SEIZOENEN
Mijn lief van vier seizoenen een oude koude winter aan het einde van de eeuw vlokte sneeuw op onze schoenen terwijl we als bezeten zoenden in de sneeuw mijn lief van vier seizoenen
Mijn lief van vier seizoenen een vederlichte lente teder trillend in het licht bracht ons samen met miljoenen minnaars onze liefde en gaf haar een gezicht mijn lief van vier seizoenen
Mijn lief van vier seizoenen de zomer bracht ons naakte hete hartstocht en de dood die als een knellend visioen knerpte tot het eind van ’t pad. Toen hielden wij ons groot mijn lief van vier seizoenen
Mijn lief van vier seizoenen de herfst kwam met de lome gloed van koper op je huid kleurde geel en vermiljoen en gaf onze liefde een stem zonder geluid mijn lief van vier seizoenen mijn lief jaar in, jaar uit
PARADIJS
De plooiing van je lippen soms venijnig, nu zacht kust mijn verbaasde onmacht in het schijnsel van de maan het dons achter je oren licht trillend in het licht dat begrip en onbegrip vloeiend kan verstaan
Dit is geen naastenliefde, geen barmhartigheid maar op een bed van rozen, het breken van het ijs dit is geen mededogen, geen welwillendheid wij zijn Adam en Eva. Dit is het paradijs
Soms waan ik ons passanten aan eender welk dier gelijk speelse recreanten in het Grote Dierenrijk dan onze kreet vanuit een verte die we amper kunnen zien de kreet haar eigen echo tien keer een maar meer dan tien
Dit is geen naastenliefde, geen barmhartigheid maar een vredig stil station op een rommelige reis
STRAAT
De straat is de straat een zwangere vrouw die knipoogt en langsloopt een kerkrat die wegglipt in de dalende zon een gesiste bedreiging uit een donker portiek een duo van dienders, de blik die zich afwendt
We ademen dezelfde lucht we staren naar hetzelfde water we wachten voor dezelfde brug verlangen naar hetzelfde later
De straat is de straat een labrador blaft, een reiger vliegt op de romp van een schip gloeit in de zon ergens schreeuwt een man moord en brand het duo van dienders verdwijnt om de hoek
De straat is de straat een kroeg die vol- en een kerk die leegloopt de knal van de bal, dan gejuich op het plein gebrul bij de buren, een schot in de nacht het duo van dienders is nergens te zien
LEEF
De wind valt stil de kater sluipt de zon zakt zacht een meeuw zweeft weg
Ik hou van jou meer is er niet ik adem in en adem uit ik hou van jou en leef
De nacht is grijs rook kringelt op geen mens kan ooit de maan verstaan
De zon schijnt fel verlicht het blad de hond is stil rook stijgt op
KIND VAN DE MAAN
Jij bent alleen en ik ben alleen samen alleen als uit verschillende landen ik weet wie jij bent jij weet wie ik ben de herkenning komt met fluweelzachte handen
Man in het zand vrouw in de zee tussen ons de kolkende branding man op het land vrouw in de lucht dan de vlucht en de tedere landing
Jij bent een kind, een kind van de maan door regen, weerlicht en donder bewogen ik ben een kind, en ik kan je verstaan mijn ziel zie ik weerspiegeld in de blik in je ogen jij bent een kind van de maan
Soms is het waar, soms voel ik verschil soms tast ik vergeefs naar jou in het duister bij alle verhalen houd ik me stil opdat je weet dat ik zwijg omdat ik luister
TIJD
De tijd verglijdt de tijd verspreidt zijn nevel over Nederland de tijd vergeet de tijd verslijt in nevels over Nederland
Zijn wij alleen alleen met de tijd ik wil samen zijn in nevels
De tijd verglijdt in eenzaamheid in de nevel over Nederland de tijd vergeet de tijd verslijt in nevels over Nederland
STERVEN OP DE PLANKEN
Sterven op de planken, zo stel ik me het einde voor een laatste half gezongen zin, dan komt het eind of het begin de band speelt onverdroten door, en ook de meisjes van het koor die hebben niks gemerkt, maar dat komt vaker voor
Sterven op de planken, een goed moment om weg te gaan een laatste blik op het publiek. Ik was nooit meer dan wat muziek het is nu welletjes geweest, ik ga voor 't einde van het feest tot ziens en niks te danken
Ik wil sterven op de planken laat mij sterven op de planken zonder tranen, zonder weemoed, niet omdat het mij verveelt ik geloof dat ik 'ns opstap voor de foto's zijn vergeeld
Sterven op de planken, als het dan moet, dan moet het zo voor ik voorgoed m'n ogen sluit zing ik nog één keer iets te luid nog één keer huilen naar de maan, met volle zeilen ondergaan er valt hier niks te janken, ik wil sterven op de planken laat mij sterven op de planken maar niet meteen